De status van beeldende kunst
binnen de maatschappij

Terug


In dit stuk zal ik me verdiepen in de vraag wat de status van beeldende kunst is met behulp van een drietal schrijvers. Is kunst iets verhevens, of is het gewoon een vak als ieder ander? Wat is de plek van de kunst in de maatschappij: erboven of erin? Wat is de noodzaak van kunst?

Wouter de Nooy stelt in zijn essay Waarom is beeldende kunst eigenlijk bijzonder de vraag of beeldende kunst nog gezien moet worden als een aparte catagorie binnen de beeldcultuur. Ter illustratie van deze vraagstelling gebruikt hij de wereld van de kunsthandel. Volgens De Nooy is de aparte status van de beeldende kunst lang gedefinieŽrd in contrast tot de populaire cultuur. Dit argument dat de superioriteit van kunst bewees was gestoeld in een sociaal onderscheid. Mensen met meer geld en meer kennis werden gezien als vertegenwoordigers van goede smaak, en hun sociale status straalde af op de producten van hun voorkeur. Wat deze groep in de samenleving dus als goede kunst beschouwde, werd ook door de rest van de samenleving zo gezien. Nu echter vrijwel alle lagen van de bevolking een hoge opleiding en een hoog inkomen binnen het bereik hebben, is dit sociale onderscheid gaan wankelen.

Een ander aspect dat de kunst een aparte status heeft verleend, is de steun die zij van de overheid krijgt. Deze steun ligt de afgelopen jaren onder vuur, juist omdat de grens tussen kunst en populaire cultuur aan het vervagen is. De vraag rijst of de beeldende kunst niet door de markt onderhouden kan worden.

Volgens de Franse socioloog Pierre Bourdieu zijn er inderdaad argumenten die de aparte status van de beeldende kunst ondersteunen. Deze aparte status is volgens Bourdieu gebaseerd op een bepaalde sociale tegenstelling. Dit is de tegenstelling tussen de mensen met economische macht, ontleend aan hun rijkdom en de mensen met culturele macht, ontleend aan hun scholing. De mensen met economische macht, hebben deze macht dankzij succes op de markt, terwijl de mensen met culturele macht, deze te danken hebben aan onderwijs, in stand gehouden door de overheid. De verschillende idealen van de markt of van het onderwijs geven argumenten voor het in stand houden van de aparte status van de beeldende kunst. Bij rijkdom gewonnen op de markt is exclusiviteit een must; in de kunsthandel gaat het ook om authenticiteit. De markt wordt geacht talent, kwalitiet en doorzettingvermogen te belonen, wat ook belangrijke aspecten in de kunstwereld zijn. Deze aan de markt gelieerde idealen zijn 'romantische' idealen, ontstaan in een tijd dat de kunstenaar zich ontworstelde aan de patronage. De deugden van de scholing hebben vooral te maken met 'beschaving', en kunst is ook een middel tot overdracht van kennis en manieren.

De culturele elite neemt echter een tweeslachtige positie in: zij hecht zowel aan kennis en scholing, als aan de exclusiviteit van een product. Dit komt omdat de culturele elite afhankelijk is van de economische elite, en dus wordt beinvloed door diens waarden en voorkeuren. De culturele elite staat aan de ene kant positef tegenover steun van de overheid aan de kunsten, maar is tegelijkertijd van mening dat cultuurbeleid wel exclusief genoeg moet zijn. Volgens De Nooy is de oplossing van dit probleem het vervangen van het ideaal van exclusiviteit door het beschavingsideaal.. Zo beschouwd zou kunst eenzelfde soort positie krijgen als de wetenschap. Er zijn enkele overeenkomsten tussen kunst en wetenschap: beide zijn een vorm van onderzoek, beide hebben een hoge mate van autonomie wat de keuze van onderwerpen betreft en beide zijn nauw verbonden met het onderwijs. Er zijn echter ook verschillen tussen wetenschap en kunst, bijvoorbeeld het feit dat de wetenschap voortbouwt op eerder verworven kennis, terwijl er in beeldend onderzoek weinig continuiteit te vinden is. Een voorwaarde voor die specifieke vorm van kennisverwerving op het gebied van de wetenschap is namelijk dat kennis vrijelijk verspreid wordten dit is moeilijk te verenigen is met het exclusiviteitsideaal op het gebied van de kunst.

Zo bekeken zou je twee manieren van kunst maken kunnen onderscheiden: bij de ene soort richt de kunstenaar zich op beeldend onderzoek, wat dan door de overheid gesubsidieerd wordt, bij de andere soort op exclusiviteit en authenticiteit, wat door de paticuliere markt gefinancieerd wordt. Het is in ieder geval belangrijk dat de kunstwereld zich afvraagd wat haar rol in de maatschappij is en haar legitimering voor een aparte status van de beeldende kunst, want nu is de tegenstelling in idealen van de culturele elite te groot voor een eenduidig kunstbeleid.

Cornel Bierens komt in zijn artikel met een eenduidige oplossing met betrekking tot de vraag over de status van de beeldende kunst en de rol van overheidssteun: er moet een minister van cultuur komen. De taak van deze minister ligt in het bezweren van een crisis van de geest, van een cultureel onbehagen. Er moeten nieuwe normen en waarden komen Daarin ligt de taak van de beeldende kunst, die als bron van troost en bezinning kan dienen, maar ook als vernieuwer van standaarden en betekenissen. Vandaag de dag leven we in een cultuur van onmiddellijke behoeftebevrediging, van het complete instant geluk. We zijn verstrikt geraakt in onze jacht zonder einde naar het geluk, en het christendom heeft terrein verloren als het gaat om bespiegeling. De kunst kan deze taak van het christendom overnemen; zij wijst onze lage lusten namelijk niet af, maar omhelst ze juist.

De kunst kan deze instinctieve impulsen in kaart brengen en uitdiepen, maar het is ook niet de bedoeling dat ze de psychiater van het vaderland wordt. Het doel van de kusnt moet niet de bestrijding van de crisis zijn, maar kan dan nog wel dat effect hebben. De minister van cultuur moet dan ook niet als doel hebben om kunst in het leven te roepen die 'ertoe doet'. De taak van de minister is eerder om af en toe grote schoonmaak te houden onder de kunstenaars, om de beeldende kunst te zuiveren van ijdeltuiten en navelstaarders. Tegelijkertijd moet de minister en ook voor hoeden om niet teveel ruimte te gunnen aan handelaren en entertainers binnen het gebied van de kunst, anders komt het bezweren van de crisis nog lang niet in zicht.

Anna Tilroe vraagt in haar artikel of de kunst haar noodzaak kan bewijzen. De staat heeft de kunsten door middel van het subsidieŽringsbeleid in haar macht. Staatssecretaris Rik van der Ploeg vond zelfs dat kunstenaars zich als ondernemers moesten gedragen, en musea als bedrijven. Tegenwoordig is het geaccepteerd dat kunst onderdeel is van de entertainmentmaatschappij. De huidige staatssecretaris zegt ook niet te kunnen pleiten voor een voorkeursbehandeling van de kunsten, maar dit is niet verwonderlijk als de kunst zelf niet eens verantwoording kan formuleren voor een aparte status. Voor de politiek is er geen verschil tussen recreatie en creatie.

Wat is het verschil tussen een daje naar het strand en een museumbezoek? De rationaisering van het leven zorgt ervoor dat de kunst ook niet meer wordt gezien als een doel op zich, maar als een instrument. Het idee dat kunst en 'het hogere' samengaan leeft nog wel, maar wat dat 'hogere' dan is weet men niet zo goed. Joseph Beuys zag zichzelf als vertegenwoordiger van 'het hogere', maar was tegelijkertijd niet vies van enige commercie en entertainment. Voortaan zou het idealisme van de kunst die de samenleving weer een ziel wil geven alleen nog geloofwaardigheid vinden binnen het besloten domein van de kunst zelf. Hierdoor lijkt het alsof deze in zichzelf gekeerde kunst alleen nog te bgrijpen is door een elite. De kunstwereld doet ook weinig moeite om op een begrijpelijke manier met de rest van de samenleving te communiceren.

De combinatie van theorie, markt en museum heeft een klimaat geschapen waarin kunst zich als mode ging gedragen,afhankelijk van commercie en sensatie, terwijl ze zich tegelijkertijd als autonoom, universeel en boven de werkelijkheid beschouwde. Zo werd kunst een soort nieuwe godheid, die zich tegelijkertijd goed leende voor het grote geld. Later in de twintigste eeuw verschoof het zwaartepunt van autonomie naar engagement. Tegenwoordig zijn er weer kunstenaars die een kunst ontwikkelen die op eigen kracht iets betekent, onafhankelijk van de samenleving en de kunstwereld. Het is belangrijk dat de kunst weer contact maakt met de samenleving, zonder een ideologisch programma te hebben. Kunst is een noodzaak omdat zij in alle vrijheid de vraag kan stellen die zowel aan het dagelijks leven raakt als aan het hogere: wat is menselijk en wat niet?

Via deze drie standpunten hebben we kunnen zien de vraag wat de status is van de beeldende kunst in de maatschappij geen eenduidig antwoord heeft, vooral niet zolang de kunst zelf haar standpunt niet duidelijk kan maken. Wil de kunst boven het alledaagse staan, dan verliest ze mogelijk het contact met de samenleving en wordt in zichzelf gekeerd en vrijwel ontoegankelijk. Als de kunst echter wil meedoen met wat speelt in de maatschappij, is ze ook onderheving aan elementen als mode, commercie en sensatie. Volgens De Nooy is het dan ook van groot belang dat de kunst zelf bepaald welke postitie ze in de samenleving wil innemen, alleen al om te kunnen bepalen of ze recht heeft op overheidssubsidies of het zelf moet rooien op de markt. Bierens heeft zelf al voor ogen in welke functie hij de kunst graag zou willen zien, namelijk als bron van troost en bezinning in een dolgedraaide maatschappij. Volgens hem ligt de noodzaak van kunst in deze functie, en is het daarom vanzelfsprekend dat er overheidssteun bestaat voor de kunst, zelfs in de vorm van een aparte minister van cultuur. Tilroe detecteert ook het probleem van de kunst die op twee verschillende gedachten hinkt, namelijk op het ideaal van 'het hogere' en die van commentator op het dagelijks leven. Zij denkt dat deze verschillende idealen samengevoegd kunnen worden in het behandelen van de vraag 'wat is menselijk en wat niet'. Eigenlijk blijkt bij alledrie de schrijvers dat de noodzaak van kunst niet zozeer te betwisten valt als wel de invulling van wat beeldende kunst nu nog kan betekenen en hoe ze zich onderscheid van andere vormen van beeldcultuur. De kunst zal zelf overtuigd moeten zijn van haar status en functie, wil ze deze noodzaak duidelijk maken aan de rest van de samenleving.