Mijn Manifest

Terug


De volgende vragen vind ik belangrijk op het gebied van de beeldende kunst:

Een belangrijke vraag binnen de kunstwereld is in hoeverre de beeldende kunst moet communiceren met het leven van alledag, moet inspelen op actualiteiten. De gevleugelde uitspraak "life imitates art" zou in dit geval omgekeert kunnen worden: kunst die het leven imiteerd. Het gaat nu niet meer om de verbeeldingskracht van de kunstenaar om een wereld te creeeren waaruit mensen in hun dagelijks bestaan inspiratie kunnen putten, maar om ge-engageerheid van de kunstenaar, de wisselwerking van de beeldende kunst met politieke en humane kwesties. Ik vraag me af of een kunstenaar de meest geschikte persoon is om de bewegingen in de maatschappij te documenteren.

De beeldende kunst begint zo steeds meer tegen het terrein van de journalistiek aan te schurken. Misschien gebeurt dit vanuit de wens om een groter publiek aan te spreken, misschien om zich wat dichter bij het leven van alledag begeven, tegelijkertijd laat het de bereidheid van de beeldende kunst zien om mee te gaan in de vluchtige wereld van de massamedia. In de jaren 60 bij de pop art zagen we ook een dergelijke beweging, maar dan met humor en kritiek ten opzichte van die media zelf. Tegenwoordig bedient kunst zich van elementen uit de journalistiek en de documentatie, zonder echter kwalitatief op hetzelfde niveau te opereren. Het is zaak een balans te vinden tussen engagement en bezinning; dat de kunstenaar die zich geroepen voelt commentaar te leveren op de gebeurtenissen in de wereld zichzelf wat tijd gunt om tot een bepaald perspectief te komen zonder de druk te voelen actueel te moeten zijn. Kritiek op de samenleving kan immers een bepaalde gebeurtenis overstijgen als de juiste toon getroffen is, en dat is toch een universele eigenschap waarnaar de ge-engageerde kunst zou moeten streven.

In de twintigste eeuw is het zwaartepunt in de kunst sinds Duchamp en later Warhol verschoven van het object naar de idee. De ready mades van Duchamp, gebruiksvoorwerpen die hij, soms slechts voorzien van zijn handtekening, in het museum neerzette, zorgden voor belangrijke vragen binnen de beeldende kunst. Het object kon niet meer volgens de traditionele criteria, zoals schoonheid of imitatie, als kunst bestempeld worden. Wat waren nu nieuwe criteria waaraan een object moest voldoen om kunst te zijn? Is het een kleine selecte groep van kunstcritici en museumconservatoren die uitmaken of iets kunst is, en zo een alledaags voorwerp tot kunst kan verheffen? Dezelfde vragen werden opnieuw pijnlijk duidelijk bij de Brillo Box van Warhol. Dit kunstwerk bestond uit met de hand gestencilde multiplex dozen, die met het blote oog niet te onderscheiden waren van de dozen die bij elke supermarkt te vinden waren. Het urinoir van Duchamp en de Brillo Box van Warhol zijn kunstwerken die zonder het concept eigenlijk geen bestaansrecht hebben. Anders kan alles kunst zijn en is iedereen een kunstenaar.

De opvatting dat alles kunst is, en iedereen een kunstenaar kwam op binnen de pop art in de jaren '60. De kunst in die tijd bediende zich van iconen en beeldtaal uit de massa media, en genoot zo grote populariteit onder alle lagen van de bevolking. Eindelijk leek het alsof kunst van haar elitaire voetstuk was afgestoten, en kunst te begrijpen was door iedereen. Begrippen als het 'goede' het 'ware' en het 'schone' werden gereduceerd tot holle frasen en de verwantschap tussen beeldende kunst en het leven van alledag was nog nooit zo zichtbaar geweest. Het vervagen van de grens tussen 'hoge' en 'lage' kunst en de nieuwe vrijheid om van kitsch en populaire cultuuruitingen te houden zorgde ervoor dat meer en meer mensen zelf kunst wilde maken. Pop art ging echter niet alleen over de verheerlijking van onpersoonlijke massacultuur en het toegankelijk maken van kunst.

De euforie van de vooruitgang in op technologisch en economisch vlak was ambivalent; groei valt samen met verval. De jaren '60 was een periode van optimisme, maar de kwetsbare plekken in de westerse samenleving kwamen bloot te liggen door gebeurtenissen als de moord op Kennedy, de Vietnam-oorlog en drugsverslavingsproblematiek. De sterrencultus in die tijd illustreert deze dubbelheid: het beeld dat de sterren overbrengen is een bron van compensatie voor de gemiddelde anonieme consument die vol zit met onvervulde verlangens en frustraties, en verhult tegelijkertijd de werkelijke kwetsbaarheid van deze iconen, die in realiteit vaak lijden aan depressies en eenzaamheid. Het individu van zowel de ster als de doelgroep van consumenten houden een masker voor, en kunstenaars als Andy Warhol proberen deze nepheid en leegheid in de maatschappij zichtbaar te maken.

Veel kunstenaars slaagden erin om elementen van de consumptiecultuur naar hun hand te zetten en nog suggestievere communicatietechnieken te ontwikkelen. Door de eenheid van vorm en inhoud van een advertentie te vervreemden, krijgt het verleidelijke element van zo'n advertentie iets onbehaaglijks. De iconen van een door welvaart bezeten samenleving werden weliswaar ook de iconen van de pop art, maar de reden hiervoor ligt zeker niet slechts in het dichten van de kloof tussen 'hoge' en 'lage' cultuur. Het eerbetoon aan de consumptieartikelen is dubieus, omdat de kunst het presenteert op een vervormde manier waardoor ze psychologisch onverteerbaar worden. Pop art maakt de tekenen des tijds transparant. Juist in deze periode waarin kunst toegankelijker dan ooit lijkt te zijn, is het concept onontbeerbaar. Het is een mooi ideaal dat kunst voor iedereen zou moeten zijn, maar de realiteit is dat kunst die zich voegt naar de grootste gemene deler veel van haar kracht zal verliezen en zal afdalen naar het niveau van massa-amusement. Ik denk dat het zinvoller is om de veelheid aan stijlen en niveaus waarop de kunst zich begeeft te koesteren, zodat er voor ieder een kunstvorm is die hem of haar aanspreekt, in plaats van ernaar te streven dat alle kunst voor iedereen toegankelijk zou moeten zijn.

De tendens dat concept het object steeds meer aanvult en soms zelf geheel vervangt zet zich na de jaren '60 alleen maar verder voort. Het lijkt wel alsof het 'einde van de kunst' zoals voorspeld door de filosoof Hegel eindelijk is aangebroken. Volgens Hegel is de kunst gedoemd steeds meer terrein te verliezen aan de filosofie, aan het verhaal achter het werk, totdat kunst uiteindelijk in het licht van de geschiedenis overbodig wordt. Een sprekend voorbeeld van deze tendens is de kunstenaar Sands Murray: hij had de bedoeling om met een groep van zeven mensen uit alle lagen van de beeldende kunstwereld, een gesprek te voeren, en dat zou zijn nieuwste kunstwerk worden. Hij zei: 'vorm vervalst', en dat in de kunstwereld elk conversation piece automatisch een kunstwerk was. In de 20e eeuw werden voor het eerst kunstwerken gemaakt die zich probeerden los te maken van het materiaal waaruit zij waren opgetrokken: het idee werd belangrijker dan het concrete ding. Hoe wist je dan dat je toch met kunst te maken had? Omdat de kunstenaars, het museum en de kritiek erover spraken en schreven.

De vraag naar criteria voor kunst blijft dus, na decenia van steeds conceptueler wordende kunst, nog steeds overeind. Het is een probleem dat aan de beeldende kunst in onze dagen geen enkele concrete eis meer wordt gesteld. Dit zorgt weliswaar voor een zee van mogelijkheden, maar juist beperkingen kunnen een kunstenaar tot grote creaties brengen. De grote vraag is hoe de kunst nu, gevangen in dit systeem van vrijheid, ooit nog vooruit kan komen. Als alles kan en er geen afgesproken regels zijn, hoe kun je dan ooit fouten maken? En als je geen fouten kunst maken, hoe kan je dan ooit iets goeds doen?

Ik vind het jammer dat de theoretisering van de kunst superieur is gemaakt aan 'ouderwets' vakmansschap. Kunst als imitatie van de natuur en het menselijk bestaan is weliswaar in de kunstgeschiedenis al tot haar hoogtepunt gekomen, maar dit betekent niet dat concept niet meer kan samengaan met een ambachtelijk object. Laat het aan de filosofie over om te komen tot het hoogste bewustzijn, de puurste ideeŽn en absolute geest, en laat kunst een middel zijn tot persoonlijke expressie, decoratie en zelfs amusement.