Het Belang van Kunst

Terug


In deze verhandeling zal ik vier vragen op het gebied van beeldende kunst achtereenvolgens behandelen. Allereerst komt de vraag aan de orde over kwaliteit: wat is dit en wanneer heeft een kunstwerk kwaliteit? De volgende vraag gaat over de inhoud van kunst: is het wenselijk dat de beeldende kunst zich bezighoudt met moraal en de wereld om haar heen? Vervolgens komt de vraag aan bod over de grenzen van de beeldende kunst: zijn er grenzen en waar zouden die eventueel kunnen liggen? De laatste vraag gaat eigenlijk vooraf aan de eerste drie vragen en aan alle vragen op het gebied van de beeldende kunst: wat is het belang van kunst?

Wat zijn de eigenschappen van een goed kunstwerk?

De vraag naar de kwaliteit van een werk raakt eigenlijk aan alle andere probleemstellingen binnen de kunstbeschouwing. Is het een kwaliteit als een werk de grote massa aanspreekt en communiceert met zoveel mogelijk mensen, of is een werk pas goed als de betekenis slechts zichtbaar is voor mensen die veel tijd en kennis steken in het beschouwen ervan? Deze vraag bevindt zich op het gebied van de kwestie over 'high' en 'low culture'. Een andere vraag kan zijn of goede kunst zich bemoeit met maatschappelijke en/of morele kwesties. Deze vraag gaat over de inhoud van kunst, en of bepaalde inhoud wenselijk is boven andere inhoud. Deze vraag heeft ook verwantschap met de vraag of kunst Łberhaupt wel inhoud moet hebben en of ware kunst niet juist kunst is die alleen over vorm gaat.

Deze vragen zijn alle opgesteld uit twee opties, en die twee opties vertonen een verwantschap met elkaar over de verschillende vragen heen. Je zou als het ware twee kampen kunnen vormen. Het ene kamp vindt dat goede kunst, kunst is die door zoveel mogelijk mensen begrepen wordt, die correspondeert met het echte leven, en die sowieso ergens over gaat. Het andere kamp is van mening dat de kwaliteit van kunst ligt in het hogere: goede kunst gaat over zaken die het dagelijks leven juist overstijgen en de allerhoogste vorm van kunst is juist werk dat alleen nog naar zichzelf verwijst en zo eigenlijk alleen vorm en geen inhoud heeft (of dat juist alleen inhoud heeft en zo feitelijk filosofie is geworden).

Deze twee kampen zou je misschien kunnen duiden als het kamp van het postmodernisme aan de ene zijde, en het kamp van het modernisme aan de andere zijde. In de modernistische traditie houd je je bezig met het hogere, het geestelijke, met zaken die alle grenzen overstijgen en universeel zijn, met de Absolute Waarheid. In de post-modernistische traditie houdt je je bezig met de dingen om je heen, met het natuurlijke en het alledaagse, met waarneming. Beide tradities zijn afwisselend terug te vinden in de kunstgeschiedenis: in het constructivisme, als voorbeeld van modernisme, werd het rationalisme op de spits gedreven. Schilderen werd gezien als objectieve studie waarin de schilderkunstige middelen werden vereenvoudigd tot er niets overbleef dan het bekende vierkante zwarte vlak van Malevich. Er was geen plaats meer voor verdieping in individuele gevoelens. In de periode van de Pop-Art werd juist een enorme stap naar het dagelijks leven gedaan: er werd veelvuldig gebruik gemaakt van beelden uit de massamedia en de werken appeleerden zo aan mensen uit alle lagen van de bevolking. Pop-Art gaf kritiek op de normen en waarden van de periode waarin ze actief was, en is zo een overtuigend voorbeeld van een post-modernistische kunststroming.

Het punt is juist deze golfbeweging van deze tegengestelde kunststromingen: wat in de ene periode als hoogste kunstvorm wordt beschouwd, zou, als het twee decennia later gemaakt zou zijn geweest, hopeloos pretentieus zijn. Andersom is een kunstwerk dat correspondeert met actualtiteiten in de ene periode een voorbeeld van ware kunst, terwijl het in een andere periode wordt afgedaan als 'lage' kunst voor de grote massa. Het lijkt dus zaak te zijn om als kunstenaar je vooral bewust te zijn van het soort periode waarin je werkt en zo werk te maken dat er in jouw tijd toe doet. Er zij echter twee punten van kritiek te formuleren tegen deze werkwijze: niet alleen lever je je zo over aan modeverschijnselen en hypes binnen de kunstwereld, maar het is ook een feit dat een periode in de geschiedenis pas volledig te beschouwen en begrijpen valt als deze achter je ligt, wat ervoor zorgt dat je altijd hopeloos achter de feiten aanrent.

Al met al is het kwaliteitsvraagstuk ingewikkeld en subjectief. Als je van mening bent dat kunst onder bepaalde kwaliteitscriteria te vangen is, ben je simpelweg een kind van je tijd, en is het wachten op de vogende periode waarin alles opeens kunst kan zijn en iedereen een kunstenaar.

Wat is de relatie tussen beeldende kunst met moraal en de werkelijkheid?

In de laatste decennia is de kunst zich steeds dichter bij het werkelijke leven gaat begeven. Door de populariteit van de massa-media, zoals tv (reclame), video-clips en computerspelletjes, gaat de kunst zich steeds vaker bedienen van kenmerken van deze media. Soms om er commentaar op te leveren en zich er tegenaf te zetten, maar vaak ook om het gat van het traditionele onderscheid tussen 'hoge' en 'lage kunst' te overbruggen. Voorbeelden hiervan zijn Micha Klein, die videokunst maakt als achtergrond bij housefeesten. En de fotografen Erwin Olaf, die veel affectie heeft met de glamoureuze modefotografie, en Anton Corbijn die foto's maakt van westerse popidolen en filmsterren, maar die allebei ook in het Groninger Museum te bewonderen zijn geweest. De bedoeling is om kunst meer uit te laten maken van het leven van alledag, en ook om iets wezenlijks te kunnen zeggen hierover. In deze lijn kun je ook verwachten dat kunst zich gaat uitspreken over morele kwesties uit het dagelijks leven. Zodra dit gebeurt, worden twee filosofische gebieden bij elkaar gevoegd.

De filosofie kun je indelen in drie hoofdgebieden, die staan voor de drie vragen waar ze zich mee bezig houdt: De vraag naar het ware (wat is kennis; kennis- en wetenschapsfilosofie), naar het goede (ethiek) en naar het schone (esthetiek; kunstfilosofie). Volgens Kant kun je uitspraken uit het ene gebied niet beoordelen met waarden van het andere gebied. Dit betekent dat kunstwerken volgens hem niet iets kunnen zeggen over morele zaken. Bij kunst gaat het om de schoonheid, en niet om de eventuele maatschappelijke boodschap. In het artikel door Hans Boutellier wordt een ander standpunt naar voren gebracht. Volgens Boutellier is het juist de taak van de kunst om moraal uit te dragen. Ik denk dat kunst met een boodschap alleen zinvol is als de kunstenaar zich werkelijk geroepen voelt om deze uit te dragen. Een opgelegde inhoud, eveneens als een opgelegde vorm, kan binnen de beeldende kunst nooit leiden tot waardevolle kunstuitingen. Of kunst verbonden wordt met moraal en de werkelijkheid kan dan ook slechts een beslissing van de indiviuele kunstenaar zijn.

Wat zijn de grenzen van de beeldende kunst?

De Brillo-doos van Andy Warhol confronteerde de kunstwereld met een interessant probleem. Het werk werd tentoongesteld, onder andere daardoor de status van kunstwerk verwervend, maar het was met het oog niet te onderscheiden van de alledaagse, waardeloze doos uit de winkel. Nu het verschil tussen wat wel en wat geen kunst is niet meer gevonden kan worden in het object, moeten we het in onszelf zoeken. Met het verdwijnen van dit onderscheid, kan in principe alles kunst zijn. Dit kunstwerk dankt zijn bestaansrecht aan het concept erachter. De tendens dat concept het object steeds meer aanvult en soms zelf geheel vervangt zet zich na de jaren '60 alleen maar verder voort. Een sprekend voorbeeld hiervan is de kunstenaar Sands Murray: hij had de bedoeling om met een groep van zeven mensen uit alle lagen van de beeldende kunstwereld, een gesprek te voeren, en dat zou zijn nieuwste kunstwerk worden. Hij zei: 'vorm vervalst', en dat in de kunstwereld elk conversation piece automatisch een kunstwerk was. In de 20e eeuw werden voor het eerst kunstwerken gemaakt die zich probeerden los te maken van het materiaal waaruit zij waren opgetrokken: het idee werd belangrijker dan het concrete ding. Hoe wist je dan dat je toch met kunst te maken had? Omdat de kunstenaars, het museum en de kritiek erover spraken en schreven.

Het lijkt wel alsof het 'einde van de kunst' zoals voorspeld door de filosoof Hegel hiermee eindelijk is aangebroken. Volgens Hegel is de kunst gedoemd steeds meer terrein te verliezen aan de filosofie, aan het verhaal achter het werk, totdat kunst uiteindelijk in het licht van de geschiedenis overbodig wordt. Dit begon toen religie en kunst niet meer nauw verbonden waren, en kunst niet meer tot taak had het Absolute uit te beelden. Moderne kunst reflecteert alleen nog op haarzelf, gaat over de vraag 'wat is kunst?'. De consequentie hiervan is dat de kunst geen plaats meer heeft in de geschiedenis, vooruitgang in de kunst is niet meer mogelijk. Dit stilstaan van de kunst in historisch opzicht zou je als het einde van de kunst kunnen zien.

De conclusie dat deze ontwikkeling het einde van de kunst betekent kun je echter alleen trekken binnen een kunsttheorie met een lineaire ontwikkeling. Deze theorie houdt alleen stand wanneer je kunst beschouwt als representatie. In de kunstgeschiedenis is representatie eeuwenlang het doel van de kunst geweest, en de kwaliteit van een kunstwerk werd afgelezen aan hoe waarheidsgetrouw het de wereld weergaf. Vooruitgang in de kunst in de loop van de geschiedenis moet dan gezien worden op het gebied van het perfectioneren van de optische replicatie, het verminderen van de afstand tussen object en afbeelding. In de overgang van de 19e naar de 20e eeuw ontstonden schilderijen die juist tekortschoten in dit opzicht, waardoor in de kunstwereld een nieuwe definitie van wat kunst is moest worden opgesteld, die deze werken bestaansrecht kon geven. Een nieuwe theorie maakte haar opwachting, de zogenaamde expressietheorie. Het maken van kunst bestaat niet zozeer in het afbeelden van de werkelijkheid maar in het uitdrukken van de gevoelens van de kunstenaar voor wat hij afbeeldt. Er is binnen deze opvatting niet zozeer meer sprake van vooruitgang, maar van een opeenvolging van individuele handelingen. Kunstgeschiedenis bestaat nu slechts uit de levens van de verschillende kunstenaars, niet meer uit technische ontwikkelingen in het waarheisgetrouw uitbeelden van de werkelijkheid.

De vraag naar criteria voor kunst blijft, na decenia van steeds conceptueler wordende kunst, nog steeds overeind. Volgens Cornel Bierens is het een probleem dat aan de beeldende kunst in onze dagen geen enkele concrete eis meer wordt gesteld. Dit zorgt weliswaar voor een zee van mogelijkheden, maar juist beperkingen kunnen een kunstenaar tot grote creaties brengen. De grote vraag is hoe de kunst nu, gevangen in dit systeem van vrijheid, ooit nog vooruit kan komen. Als alles kan en er geen afgesproken regels zijn, hoe kun je dan ooit fouten maken? En als je geen fouten kunst maken, hoe kan je dan ooit iets goeds doen?

Ook ik vind het jammer dat de theoretisering van de kunst superieur is gemaakt aan 'ouderwets' vakmansschap. Kunst als imitatie van de natuur en het menselijk bestaan is weliswaar in de kunstgeschiedenis al tot haar hoogtepunt gekomen, maar dit betekent niet dat concept niet meer kan samengaan met een ambachtelijk object. Laat het aan de filosofie over om te komen tot het hoogste bewustzijn, de puurste ideeŽn en absolute geest, en laat kunst een middel zijn tot persoonlijke expressie, decoratie en zelfs amusement.

Wat is het belang van kunst?

Zoals we op verschillende plaatsen in deze verhandeling hebben ondervonden zijn de meeste vragen over beeldende kunst niet eenduidig te beantwoorden. In de eerste plaats zorgt de vraag naar wat kunst precies is, en dus de vraag naar waar kunst over moet gaan en wat haar grenzen zijn, al voor verdeling tussen postmodernistische en modernistische opvattingen. Hetzelfde geldt voor de vraag naar wat precies een goed kunstwerk is, waarop het antwoord van periode tot periode sterk kan verschillen.

Het belang van kunst zou je eveneens periode-gebonden kunnen bekijken. In een tijd waarin technologie een groot deel van het dagelijks leven uitmaakt, zou het belang van kunst kunnen zijn om werken te verschaffen waarin mensen kunnen wegdromen in een wereld die nog om heel andere zaken draait. Aan de andere kant kun je als kunstenaar ook je eigen tijd omhelzen en in je kunst juist mensen meeslepen met alle moderne ontwikkelingen. In een tijdperk zoals waarin we nu leven, met veel spanningen, dreigingen en botsingen tussen culturen, zou men baat kunnen hebben bij kunst die deze spanningen probeert op te heffen en tegengestelde gevoelens begrip en rust van probeert te genereren. Het is echter ook mogelijk dat mensen juist behoefte hebben aan kunst die deze ontwikkelingen in de maatschappij uitlicht en vergroot, die ons met de neus op de rauwe feiten drukt. Ligt het belang van kunst nu in het verschaffen van een andere werkelijkheid, of in het belichten van de realiteit? Of is het juist belangrijk dat de kunst boven deze zaken van alledag uitstijgt, en zorgt voor een puur geestelijke of juist esthetische ervaring?

Je kunt de vraag ook nog in twee andere delen opsplitsen: ligt het belang van de kunst bij wat de kunstenaar eraan heeft, of bij wat het voor de toeschouwer doet? In de loop van de geschiedenis is het doel van kunst voor een groot deel opgeschoven van het publiek naar de kunstenaar. In de Middeleeuwen was het belang van religieuze kunst nog om de toeschouwer te helpen op weg naar spirituele verlichting, terwijl in de jaren '90 van de vorige eeuw, toen de Victim-Art steeds populairder werd, Tracy Emin kunst maakte die vooral diende als persoonlijk therapeutisch hulpmiddel.

Het individualisme is in deze tijd niet meer om te keren, dus ik denk dat je het belang van kunst bij ieder individu op zich moet zoeken. Waar de ene kunstliefhebber houdt van decoratieve en verhalende werken, wil de andere tot bezinning komen bij een monochroom. En waar de ene kunstenaar zich harstochtelijk verhoudt tot de actualiteiten, vlucht de ander weg in het verleden of in de metafysica. De enige conlusie die op dit vlak te trekken valt is dat kunst belang heeft, dat vrijwel ieder mens op zijn eigen manier belang heeft bij de aanwezigheid van kunst in zijn leven, actief of passief, met welke invulling dan ook.